Ga direct naar de inhoud, het hoofdmenu of het zoekveld.
Staat uw vraag er niet bij? Stel uw vraag via het formulier.
In de brief wordt de prestatiesubsidie 2009 vastgesteld. De omvang is afhankelijk van de daadwerkelijke reductie van het aantal nieuwe vsv'ers over het schooljaar 2007/2008 ten opzichte van het schooljaar 2005/2006. Heeft de onderwijsinstelling minder dan 15% reductie gerealiseerd, dan betekent dit dat het verschil wordt verrekend met het voorschot op de prestatiesubsidie 2010.
Op basis van de brief wordt tevens het voorschot op de prestatiesubsidie 2010 verstrekt. Dit voorschot is gebaseerd op een reductie van 20% van het aantal nieuwe vsv'ers in het schooljaar 2008/2009 ten opzichte van het schooljaar 2005/2006. De uitkomst wordt vermenigvuldigd met € 2.000.
Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters over het schooljaar 2007/2008 wordt berekend op basis van bestaande, wettelijke registraties (het basisregister onderwijs). Het basisregister omvat momenteel alle jongeren die een door het Rijk bekostigde opleiding volgen in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Aan de hand hiervan wordt het aantal jongeren bepaald dat aan het begin van een schooljaar bij een onderwijsinstelling is ingeschreven (peildatum 1 oktober). Vervolgens wordt van deze jongeren nagegaan of bij aanvang van het daarop volgend schooljaar (peildatum 1 oktober) zij:
Deze laatste groep wordt beschouwd als het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters van de betreffende school gedurende het schooljaar.
In oktober 2010 volgt de volgende verrekening. Dit betreft de vaststelling van de prestatiesubsidie 2010 en het voorschot op de prestatiesubsidie 2011.
FELICITATIEKAART: Je school heeft aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) doorgegeven dat je een vmbo-diploma hebt behaald en bent uitgeschreven als leerling. Omdat een vervolgopleiding je kans op een baan vergroot, heeft het ministerie van OCW je een felicitatiekaart gestuurd met informatie over doorleren.
BRIEF GEZAKTEN: Je school heeft aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) doorgegeven dat je niet geslaagd bent voor je vmbo-, havo- of vwo-examen. Omdat een diploma je kans op een baan vergroot, heeft het ministerie van OCW je een brief gestuurd met informatie over doorleren en met de oproep om volgend jaar alsnog je diploma te halen.
Waarschijnlijk heb je eerder via een particuliere opleiding een startkwalificatie gehaald. Particuliere opleidingen geven deze informatie niet door aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Daardoor weet DUO niet dat je al een startkwalificatie bezit. Vandaar dat je nu toch een brief hebt gekregen over het belang van doorleren, ook al ben je al gestart met een nieuwe opleiding.
De contactschool dient het aanvraagformulier voor 15 oktober 2009 in te dienen bij Cfi. Ga naar het aanvraagformulier (link naar document)
Wanneer moet het plan van aanpak binnen zijn?
Het uiteindelijk plan van aanpak moet vóór 1 maart 2010 ingediend worden bij Cfi.
In het plan van aanpak wordt aangegeven wat de plannen zijn voor plusvoorzieningen in de RMC-regio. De contactgemeenten stemt ook in met het plan. Daarnaast moet er ook een samenwerkingsovereenkomst worden bijgevoegd.
Voor de samenwerking in het kader van de plusvoorzieningen moeten scholen een samenwerkingsovereenkomst hebben. Daarvoor kan een nieuwe samenwerkingsovereenkomst gesloten worden of een addendum worden toegevoegd aan de samenwerkingsovereenkomst die in het kader van de Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten is getekend. In (het addendum op) de samenwerkingsovereenkomst is in ieder geval het volgende opgenomen:
In november 2009 wordt op basis van de aanvragen beschikt. Bij de beschikking wordt ook bekend gemaakt wat het precieze betaalritme aan de contactschool
In de tijdelijke subsidieregeling plusvoorzieningen overbelaste jongeren staat dat de middelen voor 31 december 2011 besteed moeten zijn. Het is echter mogelijk om een deel van de subsidie uit te geven in 2012. ¼ deel van de totale subsidie kan worden uitgegeven in de eerste helft van 2012. Let wel: alle verplichtingen moeten in 2011 zijn aangegaan. Nieuwe verplichtingen kunnen niet meer in 2012 worden aangegaan.
De contactschool levert in september 2010 een tussenrapportage aan bij Cfi. Daarnaast volgt voor 1 juli 2012 een eindrapportage. De formulieren bij deze rapportages zijn als bijlage bij de subsidieregeling gepubliceerd.
Alhoewel de verdeelsleutel is vastgesteld op basis van het aantal leerlingen op het vmbo leerjaar 3 en 4 en mbo niveau 1 en 2 uit apc-gebieden, is dit slechts de rekenregel op basis waarvan de middelen verdeeld zijn naar de regio's. Dit betekent dat afzonderlijke scholen of gemeenten geen aanspraak kunnen maken op een bedrag naar rato. De contactschool maakt de aanspraak op de subsidie en dat bedrag wordt aan de contactschool uitgekeerd en is bedoeld voor de hele RMC-regio. In gezamenlijkheid wordt er één plan ingediend door de contactschool. Het opzetten van plusvoorzieningen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten en scholen in de regio. Scholen en gemeenten denken samen na over de toelatingseisen van de plusvoorziening.
De contactgemeente moet in stemmen met het plan van aanpak plusvoorzieningen omdat zij een belangrijke partij is als het gaat om de verantwoordelijkheid voor de doelgroep en het leveren van zorg en hulpverlening binnen de plusvoorziening wanneer deze de zorgtaak van de school te boven gaat. Daarnaast is het belangrijk om instemming van de contactgemeenten te krijgen met het plan van aanpak plusvoorzieningen in verband met de structurele financiering van de plusvoorziening waarbij gebruik gemaakt zou kunnen worden van de Decentralisatie Uitkering Jeugd die een aantal gemeenten vanaf 2010 ontvangt.
Het is aan de regio zelf de benodigde partijen te betrekken bij de plusvoorziening en een goed functionerend samenwerking op te zetten op basis van een gedeelde verantwoordelijkheid voor deze doelgroep.
Uitgangspunt bij de verdeling van de middelen is dat het geld daar naar toe gaat waar de problemen het grootst zijn. Verreweg de meeste overbelaste jongeren wonen in het grootstedelijke gebied van Nederland. Hier cumuleren ernstige (sociale) problemen, zijn de mogelijkheden voor alternatieve dagbestedingen volop aanwezig en zijn er meer mogelijkheden om aan disciplinerende sociale controle te ontsnappen.
De middelen worden uitgekeerd aan de regio in plaats van de school omdat als de middelen per school verdeeld zouden worden de bedragen te veel versnipperd zouden worden om substantieel bij te kunnen dragen aan het oplossen van de “overbelastenproblematiek”. Door de middelen uit te keren aan de contactschool in de regio kunnen scholen gezamenlijk afspraken maken met partijen (gemeenten, zorginstanties) in plaats van op individuele basis. Een regio staat daarin sterker dan een individuele school.
In november 2009 zal Cfi een beschikking sturen aan de contactschool. Dan wordt ook het betalingsritme kenbaar gemaakt.
Nee, de middelen zijn bedoeld voor de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011, maar mogen tot 31-12-2011 besteed worden.
Nee, de middelen worden aan de contactschool uitgekeerd maar zijn bedoeld voor de alle scholen binnen de RMC-regio die de samenwerkingsovereenkomst getekend hebben.
De contactschool dient namens de RMC-regio zorg te dragen voor de financiële verantwoording. De verantwoording loopt mee in de reguliere verantwoording richting OCW (zie ook toelichting bij artikel 11 van de regeling).
Ja, naast tijdelijke middelen uit de subsidieregeling ontvangen de grote steden (G31 de gemeenten Ede, Zoetermeer, Almere en Apeldoorn ) vanaf 2010 middelen uit de decentralisatie-uitkering Jeugd.
Nee, de plusvoorzieningen worden geen zelfstandige instellingen en niet voorzien van een BRIN-nummer. De voorziening wordt ook niet zelfstandig bekostigd door OCW. De voorziening is een resultante van samenwerking in een regio bij de opvang en begeleiding van een bepaalde groep overbelaste jongeren. Anders dan het WRR-rapport duidt de regering deze voorzieningen niet aan als ”plusschool”. Daarmee is o.a. beoogd te bevorderen de (mogelijke) maatschappelijke uitval van deze doelgroep, gezamenlijk door betrokken instellingen aangepakt wordt.
Het gaat hier om een bedrag dat eenmalig besteed kan worden aan beheerskosten.
Wanneer een overeenkomst wordt aanpast moet die in principe door alle ondertekenaars/scholen worden ondertekend, tenzij de contactschool hiervoor gemachtigd is. Dit geldt zeker voor die regio's waar een andere school als contactschool optreedt.
Neen. De middelen voor de plusvoorzieningen zijn bedoeld voor ‘overbelaste’ jongeren. Dit is een kleine groep jongeren die problemen ervaart op één of meerdere leefgebieden. De schatting is dat landelijk 25% van de nieuwe vsv-ers overbelast is. Het gaat daarmee landelijk om een groep van 16.000 jongeren, een relatief kleine groep leerlingen, maar wel met de grootste problemen.
De plusvoorzieningen zijn bedoeld voor de zwaarste doelgroep zorgleerlingen.
Het plan van aanpak kan verstuurd worden naar: Dienst Uitvoering Onderwijs (voorheen Centrale Financiën Instellingen), ter attentie van Unit Bekostiging, postbus 606, 2700 ML Zoetermeer, o.v.v. kenmerk Cfi-59017.
De subsidie die de RMC-regio ontvangt voor het opstarten van plusvoorzieningen zijn bedoeld voor de desbetreffende RMC-regio om in deze RMC-regio een dekkende voorziening te treffen (VO en mbo) voor overbelaste jongeren. Deze subsidiemiddelen moeten besteed worden binnen de RMC-regio. Middelen kunnen niet worden ingezet in een andere RMC-regio. Ook niet als nevenvestigingen in een andere RMC-regio gevestigd zijn dan de hoofdvestiging. Dan kunnen middelen niet 'doorgesluisd' worden naar nevenvestiging in een andere RMC-regio.
In het stappenplan moet worden aangegeven hoe de structurele voorzetting er uit komt te zien na 2011. Dit betekent nog niet dat in het plan van aanpak de structurele voorzetting al geregeld moet zijn. Wel moet uit het plan van aanpak duidelijk worden dat er afspraken gemaakt gaan worden voor 2012 om gezamenlijk tot de structurele voorzetting te komen.
Afspraken maken over structurele voorzetting hoeft niet te betekenen dat er alleen afspraken gemaakt worden over de financiering. Dit kunnen ook afspraken zijn over een betere samenwerking tussen de verschillende partijen over de zorg en hulpverlening die deze jongeren nodig hebben.
Nee, er is geen vaststaand format. In de regeling, artikel 10 staat aangegeven wat er minimaal in het plan van aanpak moet worden opgenomen. Daarnaast moet uit het plan van aanpak worden opgemaakt dat het doel van de regeling bereikt gaat worden. Ook zal de contactgemeente moeten instemmen met het plan van aanpak.
Naast het plan van aanpak moet ook een samenwerkingsovereenkomst worden ingediend. De voorwaarden hiervoor staan in artikel 9.
Hier kunt u het best contact over opnemen met uw DUO relatiebeheerder. Hij of zij kan in BRON en u verder helpen.
Het praktijkonderwijs is uitgesloten van deze tijdelijke regeling. ‘Overbelaste’ jongeren zijn cognitief in staat om een startkwalificatie te halen. Het praktijkonderwijs leidt leerlingen, van wie verwacht wordt dat zij niet in staat zijn om een startkwalificatie te halen, op tot een plaats op de (regionale) arbeidsmarkt. Hiermee voldoen het praktijkonderwijs en haar leerlingen niet aan de doelstelling en doelgroep van deze regeling.
Voor de overbelaste jongeren is €29.750.000 beschikbaar in schooljaar 2009-2010 en €29.750.000 voor schooljaar 2010-2011.
Hoeveel middelen zijn er in totaal beschikbaar voor plusvoorzieningen?
Naar de contactscholen gaan tijdelijke middelen:
Voor de overbelaste jongeren is €29.750.000 beschikbaar in schooljaar 2009-2010 en €29.750.000 voor schooljaar 2010-2011. Hiervan is de helft afkomstig van de begroting van Jeugd en Gezin en de andere helft van de begroting van OCW. Dit zijn tijdelijke middelen, de tijdelijke subsidieregeling plusvoorzieningen overbelaste jongeren is de basis voor de verdeling van de middelen. De middelen die aan de contactschool worden uitgekeerd, zijn bedoeld voor de hele RMC-regio.
Naar de grote gemeenten gaan structurele middelen:
Daarnaast zullen vanaf 2010 ook structurele middelen beschikbaar komen voor de G31 en de gemeenten Ede, Zoetermeer, Almere en Apeldoorn. Hiervoor is vanaf 2010 € 21,7 miljoen voor beschikbaar.
Bestaande middelen bij scholen en gemeenten.
Daarnaast kunnen scholen en gemeenten uit bestaande budgetten gelden aanwenden voor de plusvoorzieningen. Scholen kunnen reguliere bekostiging en zorgbudgetten inzetten. Gemeenten kunnen voor deze groep gebruik maken van het participatiefonds, accrésmiddelen en WMO.
Het aantal vsv'ers is gebaseerd op het aantal ingeschrevenen in BRON op 1 oktober van opeenvolgende jaren. Dit aantal wordt primair voor de bekostiging nauwkeurig vastgesteld en levert daardoor een betrouwbaar beeld. Bij de berekening van de vsv-cijfers op basis van BRON past de kanttekening dat deze niet geheel sluitend is. Hoe volledig BRON ook is, over enkele specifieke groepen onderwijsvolgenden zijn geen gegevens beschikbaar. Dit betekent dat een kleine groep jongeren wordt meegeteld als vsv'er terwijl deze jongeren wél een opleiding volgen die (rechtstreeks) opleidt tot een startkwalificatie. Het gaat bijvoorbeeld om leerlingen die nu - zonder startkwalificatie - overstappen naar:
Deze leerlingen worden in onze berekening als vsv'er geteld, doordat deze onderwijsinstellingen (nog) niet zijn aangesloten op BRON. Ook jongeren die een diploma mbo-1 én een betaalde baan hebben, worden noodgedwongen als vsv'er meegerekend. Zij zijn volgens de Wet educatie en beroepsonderwijs geen vsv'er, maar worden wel in het vsv-cijfer meegeteld. Dit, omdat in BRON geen arbeidsmarktgegevens zijn opgenomen en niet is te zien welke vsv'er een betaalde baan heeft. OCW realiseert zich dat de omvang van de groep jongeren die noodgedwongen als vsv'er wordt aangemerkt, per RMC-regio en ook op het niveau van de individuele onderwijsinstelling kan verschillen. De vsv-telling op basis van BRON kan dus in meer of mindere mate afwijken van het aantal vsv'ers op basis van de eigen administratie. Op dit moment lopen er verschillende onderzoeken om de omvang van deze specifieke groepen in beeld te krijgen. Uiteindelijk kan deze informatie op landelijk niveau leiden tot een nuancering van de vsv-cijfers.
Het landelijk vsv-cijfer wordt wel gecorrigeerd met het aantal leerlingen dat binnen een schooljaar overstapt naar het voortgezet speciaal onderwijs (vso). Het landelijke vsv-cijfer wordt verder gecorrigeerd met het aantal examendeelnemers, overige niet-bekostigde mbo-deelnemers en vavo deelnemers. Examendeelnemers en overige niet-bekostigde mbo-deelnemers zijn deelnemers die wel onderwijs volgen aan een mbo instelling, maar waarvoor de instelling geen bekostiging aanvraagt. Convenantcijfers worden echter niet gecorrigeerd voor deze drie genoemde groepen (leerlingen uit het vso, examendeelnemers en overige niet-bekostigde mbo-deelnemers).
Hiervoor kunt u het best contact opnemen met uw DUO regiomanager. Hij of zij kan in BRON en u verder helpen.
De bovenbouw van de opleiding vmbo-basisberoepsgerichte leerweg wordt samengevoegd met de opleiding mbo-niveau 2. Er ontstaat daardoor één nieuwe opleiding. Leerlingen hoeven niet over te stappen. Ze krijgen op één locatie les, met één pedagogisch-didactische aanpak, met een zelfde team vmbo- en mbo-docenten. Dat vergroot de kans dat leerlingen een diploma mbo-niveau 2 halen. Het uitgangspunt van de nieuwe leergang zijn de eindtermen of het kwalificatiedossier voor een mbo-niveau 2 opleiding.
Voorwaarde is wel dat de er een terugvalgarantie moet zijn voor leerlingen als ze dreigen uit te vallen in het experiment. Als ze de leergang niet halen, moeten ze door de school worden begeleid naar een vmbo- of een mbo-diploma.
Er zijn twee lichtingen (cohorten). De eerste begint in augustus 2008, de tweede in augustus 2009.
Vanaf 1 augustus 2008 starten de eerste leerlingen in het experiment ‘nieuwe leergang vmbo-mbo2’. Zij volgen maximaal vier jaar onderwijs in deze leergang. Vanaf 1 augustus 2009 zal een tweede groep leerlingen starten met het experiment. Ook zij volgen maximaal 4 jaar onderwijs in deze leergang. Het experiment zal uiterlijk tot juli 2013 lopen als het tweede cohort eindigt.
In de regeling staat waar en hoe de scholen en instellingen zich kunnen aanmelden. De verwachting is dat de regeling de tweede helft van mei gepubliceerd wordt in de Staatscourant.
De regeling voor het tweede cohort is gewijzigd. Bij de wijziging van de regeling is ook een nieuw formulier ontwikkeld. Dit formulier moet worden ingevuld en ondertekend en samen met een ondertekende samenwerkingsovereenkomst of interne regeling naar het volgende adres gestuurd: Dienst Regelingen , T.a.v. Regeling VM2, Postbus 19530, 2500 CM Den Haag.
Scholen en instellingen kunnen zich opgeven als de regeling in werking is getreden.
De regeling is inmiddels aan de Eerste en Tweede Kamer overgelegd. Zij hebben vier weken de tijd om hierop te reageren. De verwachting is dat de regeling in de tweede helft van juni in werking treedt.
Twee weken na inwerkingtreding van de regeling sluit de aanmeldingstermijn. Alle aanvragen die voor de inwerkingtreding van de regeling en na de sluiting van de aanmeldingstermijn worden ingediend, worden afgewezen.
De aanmeldingstermijn voor het tweede cohort sluit op 16 januari 2009. Alle aanvragen die voor de inwerkingtreding van de regeling en na de sluiting van de aanmeldingstermijn worden ingediend, worden afgewezen. Deze datum is nog onder voorbehoud ivm voorhang van de wijziging van de regeling bij de Eerste en Tweede Kamer.
Het streven is dat het ministerie van OCW en LNV half juli 2008 bekend maken wie meedoen aan de eerste lichting van het experiment (uiterlijk wordt dit bekend gemaakt op 1 augustus 2008).
Het streven is dat het ministerie van OCW en LNV 2 maart 2009 bekend maken wie meedoen aan de tweede lichting van het experiment.
De projecten die goedgekeurd worden, krijgen een startsubsidie van maximaal € 50.000,-. Deze startsubsidie wordt per samenwerkingsverband één keer verstrekt. Voor elk cohort is een subsidieplafond van € 1 miljoen vastgesteld. Bij het bereiken van het subsidieplafond wordt de subsidie via een verdeelmodel verdeeld. Een samenwerkingsverband kan dus wel meerdere aanvragen indienen, maar krijgt maar éénmaal de startsubsidie.
Naast de startsubsidie ontvangen de samenwerkende scholen per deelnemer een vast subsidiebedrag van € 8.500,-per jaar. De deelnemers worden uit de reguliere bekostiging gehaald. Zij worden op basis van deze subsidieregeling bekostigd. Het bedrag van € 8.500,- per jaar ligt hoger dan de normale bekostiging. Dat extra geld kan gebruikt worden voor extra begeleiding van de leerling.
Normaal gesproken is de studieduur van het experiment 4 studiejaren. Als de school en instelling er in slagen om de leerling het experiment succesvol te laten verlopen in 3 studiejaren, dan wordt hiervoor subsidie verstrekt (diplomabonus). Voorwaarde is dat de leerling voor 1 oktober van de start van het vierde leerjaar een diploma mbo2 heeft gehaald. De leerling wordt niet meer ingeschreven voor het vierde studiejaar. De hoogte van dit subsidiebedrag is maximaal €8500.- per leerling. Bij het bereiken van het subsidieplafond wordt het bedrag verdeeld via een verdeelmodel
De subsidiebedragen worden verstrekt aan de school of instelling die de aanvraag heeft ingediend. De samenwerkende partijen moeten zelf tot overeenstemming komen hoe ze het geld onderling gaan verdelen.
Behalve extra geld krijgen scholen hulp van een projectleider.
Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband tussen de vmbo-school en de mbo-instelling. Zij moeten samen een aanvraag indienen. Het gaat hierbij om vmbo-scholen die bekostigd worden op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en instellingen en agrarische opleidingscentra die bekostigd worden op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB). Ook verticale scholengemeenschappen kunnen een aanvraag indienen. Ze moeten wel aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Scholen die willen deelnemen moeten minimaal voldoen aan de volgende voorwaarden:
Als de aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt de aanvraag op aantal andere criteria beoordeeld. Naarmate een aanvraag beter voldoet aan deze criteria, zal de aanvraag hoger in de ranking komen. De criteria zijn:
Om een aanvraag in te dienen, moet het aanvraagformulier worden ingevuld. Dit wordt samen met de regeling gepubliceerd.
Ja, dit kan. Het bestuur van een AOC of een scholengemeenschap waaraan een school voor vmbo en een ROC is verbonden, kan een interne regeling vaststellen. In die regeling staan de afspraken over de uitvoering die in andere gevallen in een samenwerkingsovereenkomst geregeld moeten worden. Daarnaast moet aan alle andere voorwaarden voldaan worden.
Nee, want een vmbo-school of mbo-instelling kan alleen meedoen als er een samenwerkingsovereenkomst is tussen een vmbo-school én een mbo-instelling.
Ja, de samenwerking kan plaatsvinden tussen meer dan één vmbo-school en meer dan één mbo-instelling (bijvoorbeeld samenwerking van twee vmbo-scholen met één ROC). Voor de locatie kan één van de scholen of instellingen uit het samenwerkingsverband worden gekozen. Dit zal als één aanvraag worden gerekend.
Ja, want het experiment is bedoeld voor alle vier de sectoren (economie,techniek, landbouw en zorg en welzijn) binnen het vmbo en mbo. Het is de bedoeling dat van elke sector voldoende deelnemers meedoen aan het experiment.
Nee, voor elke sector waarin men wil starten met het onderwijs, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Er kunnen wel meerdere aanvragen worden ingediend. Maar voor elke sector wordt dan afzonderlijk een aanvraag ingediend, die dan ook afzonderlijk zal worden beoordeeld.
Ja, het is de bedoeling dat alle regio’s in Nederland evenredig (naar aantal deelnemers) vertegenwoordigd zijn in het experiment.
Leerlingen die op 1 augustus starten met het experiment moeten in het voorafgaande schooljaar het tweede leerjaar van het vmbo hebben afgerond. Daarnaast moeten deze leerlingen in aanmerking komen voor basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo. Aan deze leerlingen wordt de beroepsopleidende leerweg (BOL) van de mbo 2 opleiding aangeboden.
De leerlingen die in het eerste cohort starten, kunnen alleen door de vmbo-school worden ingeschreven. In het eerste cohort kan namelijk alleen de vmbo-school een aanvraag indienen. Het is nog niet mogelijk om leerlingen op het mbo in te schrijven. Dit is voor het tweede cohort wel mogelijk (start 1 augustus 2009). In het tweede cohort kunnen de leerlingen zowel onder het vmbo als mbo worden ingeschreven.
De leerlingen uit het eerste cohort worden ingeschreven door de vmbo-school. De vmbo-school is daarmee automatisch de subsidieontvanger.
Voor het tweede cohort kunnen aanvragers zelf kiezen of ze de leerlingen inschrijven aan het vmbo of aan het mbo. De aanvrager ontvangt dan ook de subsidie.
Leerlingen die ingeschreven worden door de vmbo-school, worden uit de reguliere bekostiging gehaald. Zij worden op basis van deze subsidieregeling bekostigd.
De vmbo-school en de mbo-instelling beslissen zelf wat de locatie is waar de leerling het onderwijs volgt. Dit kan dus op de vmbo-school zijn of op de mbo-locatie (of unilocatie, verticale scholengemeenschap of AOC). De leerling blijft gedurende de leergang op die locatie.
Dit geldt ook voor de aanvragen in het eerste cohort. Leerlingen kunnen alleen door de vmbo-school worden ingeschreven. Fysiek kunnen deze leerlingen het onderwijs van de leergang op de mbo-locatie kunnen volgen.
Ja, voor de geïntegreerde opleiding komen nieuwe elementcodes voor het vmbo en crebo-codes voor het mbo.
Het gaat om de laatste twee jaar van het vmbo (basisberoepsgerichte leerweg) en de eerste twee jaar van het mbo. Uitgangspunt is dat de deelnemer het diploma van de opleiding mbo-niveau 2 behaalt.
In principe gaat het dus om vier jaar. Omdat het vmbo-programma in deze leergang niet leidend is, en het vmbo-examen geen verplicht onderdeel is, kan het zijn dat leerlingen het hele traject in drie jaar afleggen. Dat levert dus tijdwinst op. Voor leerlingen die anders dreigen uit te vallen vanwege de lange schoolweg is dit een positieve stimulans om tóch een startkwalificatie op mbo-2 niveau te halen en zo aan de kwalificatieplicht te voldoen.
Uiteraard is de leergang gericht op het behalen van het mbo-niveau 2-diploma, maar scholen mogen zelf vorm en inhoud geven aan de leergang. Het ministerie van OCW en LNV geven slechts de kaders aan waarbinnen de leergang vorm moet krijgen. Scholen krijgen daarmee meer ruimte voor onderwijs op maat voor leerlingen die in het huidige systeem wellicht zouden uitvallen.
Nee, dat is niet verplicht. Maar scholen en instellingen kunnen wel aan leerlingen en ouders voorleggen of leerlingen een vmbo-examen wíllen afleggen. Scholen en instellingen kunnen ook het vmbo-examen aan de leerlingen presenteren als een soort tussentoets. Het ministerie vindt dat scholen zelf mogen bepalen hoe ze het aanpakken, maar er moet wel een terugvalgarantie zijn voor leerlingen. Als ze de leergang niet halen, moeten ze worden begeleid naar een vmbo- of een mbo-diploma.
Het experiment vmbo-mbo zal gevolgd worden door een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksbureau. De monitoring heeft de volgende doelen:
Ja, scholen die aan 1e cohort meedoen, moeten ook voor 2e cohort aanvraag indienen (met het risico dat als de aanvraag niet goed genoeg is ten opzichte van de andere aanvragen, de aanvraag wordt afgewezen). Dit om zoveel mogelijk scholen eerlijke kansen te geven.
Voor de deelnemers van cohort 1 hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. In de beschikking staat vermeld dat de toestemming tot en met hun diplomering geldt en dat er dus geen nieuwe aanvraag voor 2009-2010 hoeft te worden ingediend.
In de beschikking is het aantal deelnemers (per sector) vastgesteld. Indien het aantal deelnemers minder is, leidt dat niet tot problemen (zie artikel 13). De beschikking wordt dan naar beneden bijgesteld.
Helaas is het niet mogelijk het aantal dat in de beschikking genoemd is, naar boven bij te stellen. Dit betekent ook dat leerlingen bij een verhuizing niet in het traject kunnen worden opgenomen.
In de wijziging van de regeling wordt het mogelijk gemaakt dat leerlingen die in een leergang zitten, kunnen overstappen naar een leergang van een andere sector. Voorwaarden zijn dat de leergang op dezelfde locatie wordt aangeboden en dat de totale som van het aantal leerlingen waarvoor beschikt is, niet wordt overtreden. Voorwaarde van het experiment is namelijk dat de leerling gedurende de hele periode op één locatie verblijft.
De aanvrager moet dus beschikken over meer dan één leergang, wil de aanvrager gebruik maken van deze mogelijkheid.
Als de beschikking door OCW/LNV is afgegeven, is het niet mogelijk daarna wijzigingen aan te brengen.
De inspectie neemt het experiment mee in haar regulier toezicht, niet volgens vo- of mbo-kaders, maar volgens de kaders, die worden gehanteerd voor het experiment.
Voor het vmbo-traject gelden de afspraken die binnen een vmbo stage gelden. In het mbotraject gelden de afspraken die voor een normale mbo stage gelden. Het is dus van belang om de stage herkenbaar toe te delen aan vmbo cq mbo (NB. Wel letten op het maximale aantal uren, dagen en tijden van stage in verband met de leeftijd van de deelnemer).
Indien in het experiment een vmbo-examen wordt opgenomen moet volgens afspraak in een programma van toetsing en afsluiting (pta) worden vastgelegd waaraan een leerling en de school moeten voldoen. Ook voor de kwalificatie van het betreffende crebo moet worden vastgelegd wat hij/zij betreffende het onderwijsaanbod en de afsluiting kan verwachten. Tot voor kort werd dat vastgelegd in een zgn. OER (de verplichting om dat in een OER te doen is komen te vervallen, veel scholen gebruiken echter het documenten uit het OER). Het blijft dus noodzakelijk dat alle zaken betreffend de kwalificatie in een document vast te leggen.
In Artikel 8.1.3. in de WEB staat waar een onderwijsovereenkomst aan moet voldoen. Het bevoegd gezag sluit met de deelnemer een overeenkomst af waarin de rechten en verplichtingen van beide partijen beschreven staat. Het advies is om met de mbo-instelling, waar mee samengewerkt wordt in het kader van VM2, contact op te nemen over hoe de onderwijsovereenkomst er uit moet komen te zien.
De aanvrager moet de terugvaloptie zo regelen dat een individuele leerling kan terugvallen op de basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo, de assistentenopleiding of een mbo2-opleiding. Waar deze leerling op terugvalt moet passend zijn bij de studievoortgang en de leeftijd van de leerling. Het bevoegd gezag beoordeelt het bereikte onderwijsniveau van de leerling en de daarbij behorende terugvaloptie.
Bijvoorbeeld: een leerling die aan het begin van de leergang uitvalt, zou logischerwijs eerder terugvallen op een reguliere basisberoepsgerichte leerweg vmbo. Als een leerling aan het eind van de leergang uitvalt, is het aannemelijker dat deze leerling kan overstappen naar een mbo2 opleiding. De subsidieaanvragen worden , onder meer, op dit aspect beoordeeld.
Ja, het kwaliteitsdeel geldt voor de hele leergang VM2.
Hier geldt het bevoegd gezag, dat de toewijzing en de subsidie ontvangt, voor 1e cohort dus de vmbo-school.
Dit zijn de codes waaronder de leerlingen van het VM2 experiment bij Cfi worden ingeschreven aan het vo. Deze wijken in verband met het experiment, af van de reguliere codes en gelden voor het gehele traject. Leerlingen die aan het experiment deelnemen worden door de experiment ILT-codes door Cfi als zodanig gedurende het gehele traject herkend.
Enkele scholen blijken tijdens leerjaar 3 van het vmbo (eerste leerjaar van het experiment) hun leerlingen te determineren in basis/kader. Indien blijkt dat een leerling toch naar de kaderberoepsgerichte leerweg overstapt, dan valt een dergelijke deelnemer onder de terugvalregeling en valt dan uit het experiment. In dit geval is het goed om er op te wijzen dat de regeling VM 2 expliciet verwijst naar leerlingen in de Basisberoepsgerichte leerweg (zie ook opmerking terugvalregeling)
Hierover is op 12 september 2008 door de staatssecretaris van OCW aan de in de beschikking genoemde contactpersonen, een brief gestuurd. Het experiment wordt begeleid door een projectleider, die het proces ondersteunt. De projectleider is aangesteld om onderwijskundige begeleiding te bieden aan de deelnemende scholen bij de opzet en uitvoering van de leergang vmbo-mbo2; faciliteren en organiseren van een leernetwerk voor de experimenten uit de 1e en 2e cohort waarin informatie en ervaringen worden uitgewisseld; verspreiden van de kennis op basis van de resultaten uit de experimenten is verzameld.
De subsidieontvanger werkt verplicht mee met de activiteiten die de projectleider gaat opzetten.
Art. 17 lid b van de Tijdelijke regeling bepaalt dat hoofdstuk 4 van de WEB van toepassing is. Dit hoofdstuk regelt de formatie, de rechtspositie (benoeming, schorsing, salarisschalen en functiewaardering e.d.) van het personeel evenals de benoemingsvereisten en bekwaamheidseisen. Is het echt de bedoeling dat dit hoofdstuk integraal van toepassing is op al het personeel dat werkzaam is in de leergang VM2, dus ook het personeel van een vmbo-school? Nee, het gaat hier met name om hoofdstuk 4, titel 2: de bekwaam en bevoegdheidseisen van het personeel. De bedoeling is, dat het personeel (docenten) bekwaam en bevoegd zijn om deze leerlingen op te leiden tot een niveau 2 opleiding. We zullen dit in de volgende regeling aanscherpen.
De mbo opleiding is gedurende de leergang leidend, voor het 1e cohort is de vmbo-school de toegewezen partij en dus verantwoordelijk voor de BPV. Dit uiteraard in goede samenwerking met het ROC.
Ja, de praktijk zal steeds meer laten zien dat bij zgn. unilocaties/leerdorpen, verticale scholengemeenschappen de Inspectie één keer toezicht houdt.
Het vo-programma is leidend, als meer dan 50% van de tijd in het vo-programma gestoken wordt. De gedachte achter dit artikel is uiteraard dat leerlingen van 14 en 15 jaar voldoende uren les moeten krijgen.
Als in het jaarverslag staat wat de aard en omvang van de activiteiten zijn waarvoor subsidie is verleend en het een vergelijking bevat tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen, dan is het goed. Anders moet er een apart activiteitenverslag komen, met de genoemde aspecten erin opgenomen. Let wel: scholen dienen wel goed samen te werken met de externe projectleider.
Nee, leerlingen onder de 18 jaar hoeven geen les- en cursusgeld te betalen. Lesgeld moet aan de IBG betaald worden, hierover krijgt de leerling vanzelf bericht als hij 18 jaar wordt. Cursusgeld moet aan de school betaald worden.
De schoolboeken worden tijdens het gehele traject VM2 aan de deelnemers vergoed ongeacht de locatie (zie toelichting artikel 20).
Het outputbedrag is onderdeel van het subsidiebedrag van € 8500,-. In de toelichting van artikel 9 (1e t/m 4e lid) wordt duidelijkheid verschaft over de opbouw van het bedrag per deelnemer. Hierin staat ook vermeld dat de LGF en het leerplusarrangement wel gehandhaafd wordt.
Ja, in de wijziging van de regeling is opgenomen dat scholen aanspraak kunnen maken op het leerplusarrangement. De leerlingen die starten met het experiment kunnen worden meegeteld in de telling voor het leerplusarrangement, evenals leerlingen uit het 1e cohort.
Scholen komen in aanmerking voor een bonus indien de deelnemer vóór 1 oktober van het vierde leerjaar een diploma mbo niveau 2 heeft behaald (zie toelichting artikel 9, met inachtneming van het “plafond”). Dat wil zeggen dat leerlingen uit het eerste cohort vóór 1 oktober 2011 en leerlingen in het tweede cohort vóór 1 oktober 2012 een mbo2 diploma gehaald moeten hebben. Indien de leerling tijdens het vierde jaar bijv. in december afstudeert, heeft de instelling de vergoeding voor het vierde jaar al ontvangen en is het voordeel in dit geval ook voor de instelling
Uitgangspunt is dat per samenwerkingsovereenkomst éénmalig een startsubsidie wordt verstrekt tenzij er sprake is van een “unieke” samenwerking met bijv, twee BVE-instellingen waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat alle inspanningen ten behoeve van het traject twee maal op twee verschillende plaatsen verricht moeten worden. Deze startsubsidie dient ook gebruikt te worden voor een eventueel project in het tweede cohort (mits het dezelfde samenwerking is).
Hierop kan bevestigend worden geantwoord. Het is niet de bedoeling dat formatie ten behoeve van deze leerlingen op een andere plaats in de school wordt ingezet of dat de middelen besteed worden aan activiteiten of materiaal die niet bedoeld zijn voor VM2
De projecten van het eerste cohort worden aangevraagd door het bevoegd gezag van een of meer vmbo-scholen in samenwerking met mbo-instellingen. De startsubsidie van 50.000 euro wordt uitbetaald aan elke unieke samenwerking tussen het bevoegd gezag van een vmbo-instelling en een mbo-instelling. Niet tussen elke unieke combinatie van vmbo- en mbo-vestigingen.
Voor het tweede cohort geldt dat ook het bevoegd gezag van een mbo-instelling een aanvraag kan indienen.